Riemooghanger

De riemooghanger heeft in principe de zelfde functie als de musketonhaak, namelijk het bevestigen van voorwerpen aan de riem, zoals een beurs, zwaard of naaigerei etc. Het verschil is dat de musketonhaak niet rechtstreeks aan de riem bevestigd is, wat bij het riemoog wel het geval is.

Vormgeving :

De riemogenhangers zijn qua opbouw te verdelen in drie groepen :


    
 

 

De enkelvoudige riemooghanger kunnen we weer verdelen in :

De tweedelige riemooghanger vinden we al terug in de Romeinse tijd. De enkelvoudige, en driedelige riemooghanger, doet waarschijnlijk hun intrede pas in de 14de eeuw en verdwijnd weer rond 1650.

Zowel het vaste als het variabel type, van de enkelvoudige riemooghanger, is voorzien van een hangoog dat aan de basis werd meegegoten. Het verschil tussen deze twee is dat het vaste type werd vast geklonken aan de riem en het variabelle type werd om de riem heen geschoven, deze had meestal de vorm van een dubbelovaal gesp maar met dit verschil dat er een extra oog aan de onderzijde was gemaakt. 
Er is ook een dubbelovaal riemooghanger bekend waaraan een angel is bevestigd aan de tussenstijl, hieruit mogen we concluderen dat dit type een dubbele fuctie had, hij kon gebruikt worden voor het sluiten van de riem en tevens konden er voorwerpen aangehangen worden.

Het verschil tussen de tweedelige riemooghanger en de driedelige is dat de tweedelige riemooghanger uit een ring bestond welke was voorzien van een beslagplaat. Deze beslagplaat werd aan de onderzijde van de riem geklemd, met het oog naar beneden, en met een of meerdere klinknagels vast gezet aan de riem.

De driedelige riemooghanger, werd dmv twee beslagplaten, tussen de riem in bevestigd. De twee beslagplaten waren elk voorzien van een haak aan het uiteinde en in de andere zijde werd het riemeind geschoven en vast geklonken. Dmv het centraalstuk werden de twee beslagplaten weer aan elkaar vast gezet. Wanneer de beslagplaten  aan het centraalstuk waren bevestigd werden de haken dicht gebogen.
Ik denk dat hierdoor in de meeste gevallen het niet om gordelsluitingen gaat, zoals vele veronderstellen, maar om driedelige riemogenhangers. Ik ben tot deze conclusie gekomen omdat een sluiting gemakkelijk open en dicht moet gaan, zonder erg veel kracht te gebruiken. Als je de driedelige riemooghanger open wou maken dan moest je een van de twee haken met kracht verbuigen waardoor hij door metaalmoeheid snel zal afbreken, wat volgens mij niet de bedoeling was !

De vroegste centraalstukken bestonden meestal uit een groot oog waaraan zowel de beslagplaten  als de voorwerpen werden bevestigd. Rond 1425 werd dit centraalstuk vervangen door een gegoten centraalstuk dat twee kleine oogjes en een groot oog bezat. De kleine oogjes diende ter bevestiging van de twee beslagplaten en aan het grote oog kon men weer de voorwerpen hangen, of men kon er weer een musketonhaak in haken  met daaraan de voorwerpen.

Materiaal :

Het meest gebruikte materiaal voor alle typen riemogenhangers is ijzer, koper/messing of lood/tin. Waarschijnlijk komen ze ook voor van zilver of goud maar deze zijn bij mij niet bekend.

Versiering :

Het vaste type van de enkelvoudige riemooghangers kunnen vaak rijkelijk versierd zijn met bv een gezicht, de variabelle typen haden een vrij eenvoudige versiering.

Bij de tweedelige riemooghangers was meestal alleen de beslagplaat versierd, met een eenvoudige gravering.

Bij de driedelige riemoghangers waren de beslagplaten bijna altijd versierd, dit kon een opengewerkte versiering zijn, een handmatig gegraveerde versiering maar de versiering kon ook in relief zijn mee gegoten. Als het centraalstuk was versierd dan was dit altijd in relief ( dus mee gegoten in de mal). De riemooghangers waarbij de beslagplaten een  opengewerkte versiering hebben mogen we dateren tussen 1425 - 1525, als ze met de hand gegraveerd zijn tussen 1525 - 1575,  en wanneer ze een versiering hebben die in relief is mee gegoten mogen we ze dateren tussen 1575 - 1650.

       
       
       
       

 

Link naar start pagina

Home